Wat gebeurde gisteren?
Vul de verleden tijd in. Let op enkelvoud en meervoud.
Gisteren (maken) ik een tekening.
Wij (fietsen) naar het bos.
De hond (blaffen) hard.
Zij (werken) gisteren alleen.
De kinderen (lopen) naar huis.
Ik (vinden) een mooie steen.