Even verzamelen…
Je activiteit komt eraan.
Je activiteit komt eraan.
Vind een activiteit die past bij jouw kleine ontdekker.
Tel de stippen. Schrijf het getal.
Een speelse start met cijfers.
Welke letters herken jij?
Kijken, herkennen en omcirkelen.
Oefenen met optellen tot tien.
Kijk goed en maak het patroon af.
Ontdek hoe snel je in sprongen telt.
1. ● ● → 1 2 3
2. ● ● ● ● → 3 4 5
3. ● → 1 2 4
Tel hardop. Omcirkel het getal dat bij de stippen hoort.
1. Kleur de cirkels geel: ○ △ ○ □
2. Kleur de vierkanten rood: □ ○ △ □
3. Kleur de driehoeken blauw: △ □ △ ○
Luister naar de opdracht. Wijs aan en kleur.
1. ○ △ ○ △ ○ ____
2. □ ○ □ ○ □ ____
3. △ △ ○ △ △ ____
Kijk naar de rij. Teken de volgende vorm op de lijn.
1. ● ● ● ● ● ● Hoeveel?
2. ● ● ● ● ● ● ● ● Hoeveel?
3. ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Hoeveel?
Tel de stippen. Schrijf of wijs het antwoord aan.
1. maan: muis / vis
2. sok: boom / soep
3. vis: vos / kat
Een volwassene leest de woorden rustig voor. Omcirkel het woord dat met dezelfde klank begint.
1. 1, 2, __, 4, 5
2. 3, 4, __, 6, 7
3. 5, __, 7, 8, 9
Tel verder en schrijf de ontbrekende getallen. Je mag een getallenlijn gebruiken.
1. 7 + 3 =
2. 12 + 4 =
3. 9 + 6 =
Reken uit. Gebruik blokjes of een getallenlijn als dat helpt.
1. De kat zit op de m_t. Kies: a / o
2. Ik zie de z_n. Kies: u / o
3. De v_s zwemt. Kies: i / a
Kies de juiste letter en schrijf het hele woord. Lees de zin daarna hardop.
1. Welke kleur heeft de bal?
2. Waar rolt de bal onder?
3. Wie pakt de bal?
Lees het verhaaltje. Beantwoord de vragen.
1. 24 + 15 =
2. 38 + 7 =
3. 56 + 26 =
Reken uit. Schrijf eventueel een tussenstap op.
1. kat →
2. boom →
3. vis →
Schrijf het meervoud. Voorbeeld: boek → boeken.
1. Wat wil Mila maken?
2. Waar vindt ze de lijmstift?
3. Waarom rolt de lijmstift niet meer weg?
Lees de tekst. Schrijf je antwoorden op.
1. 6 × 7 =
2. 8 × 4 =
3. 9 × 6 =
Maak de sommen. Bij delen kun je aan een keersom denken.
1. Er staan drie (boom) in de tuin.
2. We vullen twee (fles) met water.
3. De (kat) liggen in de zon.
Schrijf de goede vorm van het woord tussen haakjes.
1. Waarom kiest de klas bakken?
2. Wat doet het groepje op dinsdag?
3. Waardoor verdort een plant?
Lees de tekst en zoek de informatie die je nodig hebt.
1. 1/2 van 24 =
2. 1/4 van 36 =
3. 3/4 van 20 =
Bereken welk deel je nodig hebt. Schrijf ook een korte tussenstap op.
1. Ik (lopen) naar school.
2. Zij (maken) een kaart.
3. Wij (fietsen) naar het park.
Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Alles gebeurt nu.
1. Welke vraag onderzoeken de leerlingen?
2. Welke drie dingen houden ze hetzelfde?
3. Welke brug draagt in deze proef meer muntjes?
Lees het verslag en denk na over een eerlijke vergelijking.
1. 10% van 240 =
2. 25% van 80 =
3. 50% van 36 =
Bereken het gevraagde deel. Laat bij de verhaalsommen zien hoe je rekent.
1. Gisteren (maken) ik een tekening.
2. Wij (fietsen) naar het bos.
3. De hond (blaffen) hard.
Vul de verleden tijd in. Let op enkelvoud en meervoud.
1. Noem één controleerbaar feit uit de tekst.
2. Welke mening geeft Ilias?
3. Welk voordeel noemt Sara?
Lees beide standpunten. Gebruik alleen informatie uit de tekst.
1. Voor 4 personen is 300 gram rijst nodig. Hoeveel voor 6 personen?
2. Op een kaart met schaal 1 : 100.000 liggen twee plaatsen 3 cm uit elkaar. Hoeveel kilometer is dat?
3. Een fietser rijdt 18 km in 1 uur. Hoe ver in 20 minuten bij dezelfde snelheid?
Schrijf je berekening op en vergeet de eenheid niet.
1. Vandaag (worden) mijn broer twaalf.
2. Gisteren (gebeuren) er iets bijzonders.
3. Wij hebben de kamer (versieren).
Vul het werkwoord in. De zin vertelt welke tijd je nodig hebt.
1. Hoeveel wegwerpbekers minder werden er in de proefweek geteld?
2. Waarom bewijst dit niet dat alleen het bericht de daling veroorzaakte?
3. Wat kun je op basis van de telling wel zeggen?
Lees het bericht. Maak onderscheid tussen resultaten en conclusies.